Kritisch Denken

Kritisch denken als begrijpend oordelen [1]
In mijn proefschrift is “kritisch denken” anders geconceptualiseerd dan in Noord-Amerika, waarin het verwijst naar het vermogen goed te redeneren en naar de dispositie dat ook te doen (Bailin & Siegel, 2003). De betekenis van kritisch denken in het door mij gehanteerde concept wordt hier geïllustreerd aan de hand van een voorbeeld. Hierin staan drie aspecten van kritisch denken centraal, die achtereenvolgens worden toegelicht:

1. onderscheid maken tussen inhoud en communicatieve intentie van een uitspraak;
2. kritisch zelfbewustzijn;
3. drie perspectieven onderscheiden en intact laten.

Wat vooraf kan gaan aan kritisch denken
Het denken van socioloog Dick Pels in zijn artikel Leve zelfrelativering en twijfel, dat is de kern van onze identiteit (2007) dient in mijn uitleg als positief voorbeeld van kritisch denken. Aan Pels’ gedachtegang gaan twee (reeksen van) uitspraken vooraf. Het begint met de toespraak in 2007 die – destijds nog – prinses Máxima houdt in de aankondiging van het WRR-rapport Identificatie met Nederland. Er volgden verontwaardigde reacties van onder anderen Paul Scheffer, publicist en hoogleraar Europese studies aan de Universiteit van Tilburg. Pels reageert op Scheffer en laat, zo betoog ik, in zijn reactie zien wat kritisch denken inhoudt.

Pels’ reactie op uitspraken van Scheffer en reflectie erop begint aldus met Máxima’s spraakmakende uitspraak dat zij dé Nederlandse identiteit niet heeft gevonden en dat dé Nederlander niet bestaat. Wat zegt zij precies?
De huidige koningin Máxima zegt in 2007: ‘(…) Zo’n zeven jaar geleden begon mijn zoektocht naar de Nederlandse identiteit. Daarbij werd ik geholpen door tal van lieve en wijze deskundigen. Ik had het voorrecht met veel mensen kennis te maken, heel veel te zien, te horen en proeven van Nederland. Het was een prachtige, rijke ervaring waarvoor ik enorm dankbaar ben. Maar dé Nederlandse identiteit, nee, die heb ik niet gevonden. Nederland is: grote ramen zonder gordijnen zodat iedereen goed naar binnen kan kijken. Maar ook hechten aan privacy en gezelligheid. Nederland is: één koekje bij de koffie, maar ook enorme gastvrijheid en beheersing, pragmatisme. Maar ook: samen intense emoties beleven. Nederland is dus veel te veelzijdig om in één cliché te vatten. Dé Nederlander bestaat niet’.

In het tv-programma Netwerk wordt Paul Scheffer geïnterviewd over integratie. Scheffer vertelt dat hij in het boek Het land van aankomst waaraan hij dan werkt, antwoorden probeert te vinden op de vraag hoe we de impasse in het integratiedebat kunnen overbruggen van ‘wij tegen zij’. Als we deze vraag niet op een goede manier beantwoorden, betoogt Scheffer, dan zal de opstand van de burgers, de opstand van Pim Fortuyn, echt het begin blijken te zijn van waar we op terug zullen kijken als een milde gebeurtenis.

Netwerk laat na deze uitspraak van Scheffer een fragment zien waarin Máxima de woorden uitspreekt: ‘Dé Nederlander bestaat niet. Als troost kan ik u zeggen dat dé Argentijn ook niet bestaat.’ De voice-over van Netwerk klinkt hierna: ‘We zijn allemaal wereldburger. Dat zei prinses Máxima vorige week bij de presentatie van het rapport over integratie van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid’.

Vervolgens komt Paul Scheffer weer in beeld en zegt, verwijzend naar Máxima’s uitspraak: ‘Eigenlijk zegt zij tegen al die mensen in Nederland, en dat zijn er nogal wat, laten we ze ’es karakteriseren met al die mensen die op Geert Wilders, Rita Verdonk of Jan Marijnissen hebben gestemd. Allemaal op hun manier zeer verschillend, ik ga ze niet onder één noemer brengen, maar toch iets zeggen van: het sociale contract van Nederland, de Nederlandse cultuur en geschiedenis hebben voor ons nog betekenis. Tegen al die mensen zegt zij eigenlijk: jullie horen niet meer bij dit land, tegenover jullie heb ik eigenlijk niets meer te zeggen. De bestuurlijke elite zegt op dit moment in Nederland, eigenlijk tegen één derde van de bevolking: voor jullie hebben we geen woorden meer over, jullie horen eigenlijk niet meer bij wat wij voor weldenkend houden, wat wij als redelijk zien. Dat is nogal wat. Ik vind het echt grenzen aan het onverantwoordelijke’.

Onderscheid maken tussen inhoud en communicatieve intentie
De socioloog Dick Pels reageert in een NRC-artikel op de uitspraken van Paul Scheffer in het boek Het land van aankomst en in de media. In het artikel geeft Pels een weergave van Scheffers boek. Scheffer betoogt, zo parafraseert Pels, dat migranten alleen kunnen worden uitgenodigd en uitgedaagd door een samenleving met een sterke cultuur van burgerschap. Een cultuur die haar grondslagen wil verhelderen en haar erfgoed wil overdragen. Een cultuur die een idee heeft over wat wezenlijk is in haar cultuurgeschiedenis. Dit betekent dat er een einde moet komen aan de zelfrelativering van de multiculturele elite. Hiermee omschrijft Pels Scheffers hoofdboodschap in Het land van aankomst. In deze fase van Pels’ betoog wordt er niet geoordeeld; het streven is Scheffers standpunt zo neutraal mogelijk weer te geven.

Na het perspectief nemen van Pels volgt, wat ik in mijn proefschrift noem, ‘de kritische reactie’. Een kritische reactie behelst het uiten van twijfel over een uitspraak. Pels vraagt zich af: ‘maar wat als de gedeelde normen en burgerschapscompetenties die door de meerderheid en minderheden moeten worden aangeleerd en gedeeld, juist die zelfrelativering als kern hebben?’

Pels kritiseert Scheffer die, aldus Pels, asymmetrisch redeneert. Het is ongerijmd – asymmetrisch dus – dat Scheffer wel een zelfkritische houding verwacht van de multiculti’s en de moslims die geen godsdienstvrijheid respecteren, maar veel minder van de onzekere autochtone Nederlanders die bescherming zoeken in hun nationale identiteit. Symptomatisch voor dat ‘asymmetrisch redeneren’ is, aldus Pels, Scheffers ‘harde reactie op Máxima’s relativerende uitspraak over de Nederlandse identiteit’. Scheffer noemde haar ‘hooghartig’ door zich te afficheren als wereldburger. Ook Pels verwijst, zoals ik hiervoor deed, naar de media waarin Scheffer onder andere stelt dat Máxima tegen één derde van de bevolking zou zeggen: jullie horen er niet meer bij.

Pels maakt een onderscheid tussen de letterlijke inhoud van Scheffers uitspraken en de communicatieve intentie die Scheffer met de inhoud mogelijk heeft; wat de zender met de inhoud bedoelt te zeggen.
Elke taaluiting, zo leert taalfilosoof Searle (1969), heeft – vrij vertaald – een bedoeling; je kunt geen propositie [wat geuit wordt] uiten zonder niet ook een bewering te doen, de ander iets te laten doen, onszelf te committeren aan iets, onze gevoelens of houdingen te uiten of, zoals bij het voltrekken van een huwelijk, een verandering teweeg te brengen met een uiting.

Pels concentreert zich hierbij op de communicatieve intentie. Dat blijkt uit het feit dat Pels woorden van Scheffer belicht die iets zeggen over de uitdrukkingskracht. Zo belicht hij het woord ‘hooghartig’ waarmee Scheffer Máxima’s optreden beoordeelt. En zo citeert Pels Scheffers zinsnede: ‘omdat zij veel airmiles heeft gespaard is ze een wereldburger. Zij heeft in allemaal gated communities gewoond’.

Pels zou de communicatieve intentie van Scheffers uitspraak als volgt kunnen samenvatten: Scheffer uit verontwaardiging over Máxima’s uitspraak en waarschuwt dat de zelfrelativerende houding van de multiculturele elite gevaarlijk kan zijn; het volk (dat zich in de nationale identiteit bedreigd voelt) kan nog erger in opstand komen dan het destijds met Fortuyn ook deed.

Waarom is onderscheid maken tussen wat iemand letterlijk zegt en wat daarmee bedoeld kan zijn een kenmerk van kritisch denken? Het woord ‘kritisch’ is afgeleid uit het werkwoord ‘beslissen’ en verbonden met de woorden ‘oordelen’ en ‘onderscheiden’. De betekenis van ‘kritisch denken’ wijst dus, etymologisch, in de richting van het proces je een oordeel of besluit te vormen waarin het onderscheiden van zaken een rol speelt.

Waar komt de kritische reactie vandaan? Anders gesteld: waarop reageert een kritische denker? Verschillende antwoorden zijn mogelijk. Mijn antwoord op die vraag leer ik van de onderzoekers op het gebied van cognitieve ontwikkeling Olson en Astington (1993). Zij stellen dat de kritische reactie voortkomt uit het analyseren van hoe sprekers of schrijvers hun uitspraken opgevat willen zien, niet alleen uit het begrijpen van de propositionele inhoud. Deze auteurs benadrukken dat kritisch oordelen vereist dat uitspraken gezien worden als uitdrukkingen van de opvattingen van de personen die de uitspraken doen. Teksten en verbale uitingen zijn geen reservoir van kennis, maar het product van menselijke intentie (Olson & Astington, 1993). De kritische reactie komt vooral voort uit de opvatting van de spreker of schrijver aangaande de inhoud van een uitspraak. Dit behoeft wellicht nadere toelichting.

Een propositie of propositionele inhoud is dat wat er wordt gezegd of geschreven; het betreft de inhoud van een uitspraak. Bijvoorbeeld: dat dé Nederlander niet bestaat. Proposities worden weergegeven met de grammaticale vorm ‘dat…’ waarop elk soort inhoud kan volgen. Een uitspraak wordt een standpunt genoemd als degene die de uit spraak heeft gedaan, geacht mag worden daarmee een bepaalde positie te hebben ingenomen ten opzichte van de propositie die in die uitspraak naar voren wordt gebracht (Van Eemeren, Grootendorst & Snoeck Henkemans, 1997). Bijvoorbeeld: ‘Dé Nederlander bestaat!’ De uitspraak ‘Dé Nederlander bestaat niet’ is uiteraard ook een voorbeeld van een standpunt. De positie die wordt ingenomen, kan positief maar ook negatief zijn ten opzichte van de propositie (Van Eemeren, Grootendorst & Snoeck Henkemans, 1997).

Vaak zijn indicatoren van standpunten zoals ‘naar mijn mening’ en ‘ik vind’ in uitspraken afwezig en moet uit andere aanwijzingen worden opgemaakt of er van een standpunt sprake is. Hiermee wordt de rol van de sociale omgeving bij oordeelsvorming zichtbaar: de context of de situatie waarin een uitspraak wordt gedaan, maakt vaak duidelijk of er sprake is van een standpunt (Van Eemeren, Grootendorst & Snoeck Henkemans, 1997). De uitspraak ‘Dé Nederlander bestaat niet’ kan een kritische reactie oproepen bij iemand die denkt: dat denk jij ja, maar dé Nederlander bestaat wel degelijk! Deze persoon reageert dus niet primair op de propositie dat dé Nederlander niet bestaat. Er wordt gereageerd op de positie – het standpunt – die een ander ten opzichte van de propositie heeft ingenomen. En zo reageerde Pels op de positie die Scheffer innam tegenover Máxima’s hiervoor geciteerde uitspraak.

Het moge duidelijk zijn dat de intentie die iemand uit niet per se de intentie is die iemand daadwerkelijk heeft. Leugens en valse beloftes staan ons toe om onze mentale staten te verhullen (Astington, 1994). Je kunt zeggen:
Er zijn nog koekjes in de kast’, wetende dat ze er niet zijn, met als reden dat je niet naar de winkel wilt. Niettemin is de intentie die je niet hebt, uitgedrukt in je uitspraak (Astington, 1994). Bij het onderscheid maken tussen propositie en communicatieve intentie, beperkt de beoordelaar zich tot het achterhalen van de communicatieve intentie. De beoordelaar onthoudt zich, in deze fase, van (waarde)oordelen. Zo wordt de kans verkleind dat evaluatie of reflectie die later volgt in het proces van kritisch denken, gebaseerd wordt op misverstanden.

Kritisch zelfbewustzijn
Als je woorden zoekt om een uitspraak van een ander te kenmerken, verwijs je impliciet naar je eigen mentale staat (Astington & Olson, 1990). Stel je voor dat Peter zegt dat het vandaag gaat regenen. Als ik denk dat Peter gelijk heeft, dan zeg ik: ‘Peter weet dat het vandaag zal regenen’ of iets van gelijke strekking. Als ik denk dat Peters uitspraak onwaar is, dan zeg ik: ‘Peter denkt dat het vandaag zal regenen.’ In beide voorbeelden is dus niet alleen Peters mentale staat gekenmerkt (weten/denken), maar is er ook bewustwording tot stand gekomen van je mentale staat; een uitspraak opvatten als iets weten of als iets denken.

Weten hoe je de uitspraken van een ander opvat en dat het je eigen begrip of je eigen interpretatie is, noem ik kritisch zelfbewustzijn. Ik ontleen dit begrip aan een tekst van de filosoof Hans-Georg Gadamer. Gadamer legt uit wat er gebeurt als je iets wat vreemd of anders is – zoals andermans perspectief – probeert te ‘vertalen’ in je eigen woorden. Als je wat vreemd of anders is niet probeert te vernietigen maar je eigen maakt, ook als je het ergens niet mee eens bent, komen bijvoorbeeld je eigen vooroordelen of veronderstellingen aan de oppervlakte en kom je dus tot kritisch zelfbewustzijn (Gadamer, 1972).

Kritisch zelfbewustzijn lijkt afwezig bij de makers van het hiervoor aangehaalde item van het programma Netwerk. Het item over de commotie rond Máxima’s uitspraak werd geïntroduceerd met de uitspraak dat Maxima zegt dat we allemaal wereldburger zijn. De makers lijken te zijn vergeten dat dit hun begrip is van Máxima’s communicatieve boodschap (en verwarren daarmee twee perspectieven – hierop kom ik later terug). Máxima zegt dit immers niet. Het is de interpretatie van Máxima’s uitspraken.

Uit de manier waarop Pels schrijft, maak ik op dat hij zich goed bewust is van zijn eigen interpretatie van Scheffers uitspraken en dat ziet als instrument om zijn eigen denken aan te scherpen. Zo schrijft hij:

‘Dat Nederland (…) een “onduidelijk land” is, vindt Scheffer een geweldig nadeel voor integratie. Maar waarom kunnen we dit niet als een voordeel zien? Zelfrelativering en productieve twijfel zijn kernelementen van onze open democratische cultuur. Dat houdt in dat we juist een zwakke, relativerende visie op onze nationale identiteit moeten verkondigen tegen de harde identiteiten die haar bedreigen’.

Uit het voorgaande citaat blijkt dat Pels een onderscheid maakt tussen Pels’ weergave van Scheffers pointe (over Nederland(ers)) en hoe hij daar zelf op reageert. Pels schrijft weliswaar niet letterlijk iets in de vorm ‘ik interpreteer dat Scheffer Nederland een onduidelijk land vindt en dat ziet als nadelig voor integratie’.

Toch maakt de vraagvorm waarmee hij op zijn weergave van Scheffers punt reageert aannemelijk dat hij zich ervan bewust blijft dat hij in feite reageert op zijn eigen begrip van een ander. Dat zijn begrip grotendeels is gebaseerd op een letterlijke weergave – eerder in zijn artikel – van Scheffers uitspraken, maakt het gepast en zinvol voor verdere discussie. Hiermee maakt hij dus ook onderscheid tussen het perspectief van een ander en dat van zichzelf. Daarmee kom ik op een derde aspect van kritisch denken: perspectieven onderscheiden en intact laten.

Drie perspectieven onderscheiden en intact laten
Dick Pels is ook kritisch omdat hij de persoon – lees: de positie van de persoon tegenover een bepaalde inhoud – in de teksten en uitspraken van Scheffer blijft zien. Daarmee onderscheidt hij drie perspectieven en hij laat ze intact; hij verwart ze niet. Dit is een belangrijke vereiste voor het evalueren van uitspraken (Kuhn, 2008).

Pels onderscheidt allereerst Scheffers perspectief – het eerste perspectief. Daarna volgt een kritische reactie. Pels denkt: in tegenstelling tot wat Scheffer suggereert, is ‘een contract tussen generaties’ geen objectief gegeven. De geschiedenis als zodanig kan niets opleggen, weet Pels. Woordvoeders namens ‘de geschiedenis’, zoals Scheffer, kunnen dat wel, redeneert Pels. Door te reageren op de uitspraken van Scheffer over het contract tussen generaties, is helder dat dit Pels’ eigen perspectief is – het tweede perspectief. Vervolgens onderscheidt Pels externe informatie, uit sociologisch onderzoek, die hij opvoert ter onderbouwing van zijn eigen standpunten – het derde perspectief.

Samenvattend: Pels geeft Scheffers perspectief weer en probeert, aantoonbaar, de communicatieve boodschap die Scheffer met zijn uitspraken heeft, te achterhalen. Hij stelt daar zijn eigen perspectief tegenover en verwijst naar bronnen om zijn standpunt te onderbouwen.
Zo kan hij verbanden leggen tussen wat Scheffer beweert, wat externe informatie te bieden heeft en hoe hij zelf denkt over Scheffers uitspraken en over de externe informatie.

Kritisch denken als begrijpend oordelen
Kritisch denken verwijst in mijn concept naar het proces om je ergens een oordeel over te vormen. Denken vindt altijd plaats in een sociale omgeving. Kritische denkers verhouden zich actief tot hun sociale omgeving.
Die omgeving heeft opvattingen en zienswijzen. Kritische denkers vormen hun eigen oordelen in interactie met hun omgeving.

Bij het onderscheid maken tussen inhoud en communicatieve intentie, concentreert de beoordelaar zich op het achterhalen van de communicatieve intentie. De beoordelaar onthoudt zich in deze fase van (waarde)oordelen.
Zo wordt de kans verkleind dat evaluatie of reflectie die later in het kritisch denken-proces volgt, gebaseerd wordt op misverstanden.

De kritische denker die ik omschrijf wil zijn oordelen niet baseren op misverstanden, maar op begrip van andermans uitspraken. Begrip staat hier nadrukkelijk niet gelijk aan goedkeuring. De poging om andermans uitspraak te begrijpen vormt het vertrekpunt voor de eigen oordeelsvorming.
Het willen begrijpen van andermans perspectieven zie ik dan ook als de kern van een kritisch denken-houding.

De denkvorm die ik omschrijf als kritisch denken kan bijdragen aan goede discussies en gesprekken waarin wordt ingegaan op elkaars uitspraken en niet langs elkaar heen wordt gepraat. Ons individuele denken komt tot immers tot uitdrukking in discussies en gesprekken met anderen. Door de focus op het analyseren van de manier waarop sprekers of schrijvers hun uitspraken opgevat willen zien, heb ik mijn proefschrift ‘Critical thinking as reflecting on understanding others’ getiteld. In een ‘soundbite’: kritisch denken is begrijpend oordelen.

Literatuur

Astington, J.W. (1994). The child’s discovery of the mind. London: Fontana Press / Harvard University Press.

Astington, J.W. & Olson, D.R. (1990). Metacognitive and metalinguistic language: Learning to talk about thought. Applied Psychology: An International Review, 39, 77-87.

Bailin, S. & Siegel, H. (2003). Critical thinking. In: Blake, N., Smeyers, P., Smith, R. & Standish, P. (Eds.). The Blackwell guide to the philosophy of education (p. 181-193). Blackwell Publishing.

Eemeren, F.H. van, Grootendorst, R. & Snoeck Henkemans, A.F. (1997). Handboek argumentatietheorie. Groningen: Martinus Nijhoff.

Gadamer, H.G. (1972). Semantics and hermeneutics. In: Linge, D.E. (Ed.),

Philosophical hermeneutics (p. 82-94). London: University of California Press.

Kuhn, D. (2008). Education for thinking. Harvard: Harvard University Press.

Olson, D. R., & Astington, J. W. (1990). Talking about text: How literacy contributes to thought. Journal of Pragmatics, 14, 705-721.

Olson, D.R. & Astington, J.W. (1993). Thinking about thinking: Learning how to take statements and hold beliefs. Educational Psychologist, 28, 7-23.

Scheffer, P. (2007). Het land van aankomst. Amsterdam: De Bezige Bij.

Searle, J.R. (1969). Speech acts. An essay in the philosophy of language. Cambridge: Cambridge University Press.

Torringa, H. (2011). Critical thinking as reflecting on understanding others. Proefschrift Universiteit Utrecht.

WRR (2007). Identificatie met Nederland. (Rapporten aan de regering; 79). Amsterdam: Amsterdam University Press.

[1] De tekst op deze pagina is een bewerking van mijn hoofdstuk Kritisch denken en burgerschapsvorming in het voortgezet onderwijs in Jurrius, K., & Torringa, H. (red.). (2014). Opvoeden in betrokkenheid: Lessen uit de wetenschap. Amsterdam: SWP.

Geef een reactie