Hoe word ik een constructieve sidderrog?

Als je in een groepsgesprek een fundamentele vraag onderzoekt, is doorvragen naar elkaars opvattingen een manier om te verhelderen wat je precies denkt. Als je door een gespreksgenoot aanhoudend wordt geconfronteerd met tegenstrijdigheden in je denken, kan dat verlammend werken. Socrates was er zo één. Hij werd vergeleken met een sidderrog.
Een sidderrog is een zeevis die stroomschokken afgeeft waarbij een prooi wordt verdoofd en vervolgens verslonden. De manier waarop Socrates sprak met anderen is door verschillende denkers geïnterpreteerd. Mede daaruit is in de loop van de geschiedenis de socratische gespreksmethode ontstaan. Als je de ‘prooi’ niet wilt verslinden kun je je afvragen: hoe word ik een constructieve sidderrog?

Een constructieve sidderrog…? Voordat ik toelicht waar ik naar zoek, beschrijf ik de socratische gespreksmethode. Dan volgen de vragen: is het nodig om je als gespreksgenoot verlamd te voelen door een gemene zeevis? Hoe kun je door gespreksgenoten ervaren worden als een zeevis die tijdelijk verlamt, maar die niet doodt? Verwijzingen naar Plato’s dialogen doe ik op basis van een historisch-filosofische studie van J.H.M. Wagemans uit 2009.

In een socratisch gesprek wordt achterhaald welke opvattingen deelnemers hebben over een fundamenteel thema. Bijvoorbeeld tolerantie. Vervolgens worden gevonden opvattingen gezamenlijk getoetst. Toetsvragen kunnen zijn of opvattingen: waar, juist of “herkenbaar voor iedereen” zijn. Socrates wilde, zo gaat het verhaal, zijn gespreksgenoten tot zelfkennis brengen.
De figuur Socrates zegt in Plato’s dialoog Apologie (21d) dat hij niet beweert dat hij iets weet als hij dat niet weet. Hij is zich bewust van zijn niet-weten.
In Plato’s Theaetetus (151c) zegt Socrates “het ijdele gezwets weg te nemen om vervolgens waarheid geboren te laten worden”. In diezelfde dialoog vergelijkt hij zijn rol met die van een vroedvrouw. “Want voor mij geldt net als voor een vroedvrouw: zelf kan ik geen kennis baren.”

Het kritisch toetsen van opvattingen speelt in de huidige socratische gespreksmethode een grote rol. De gespreksleider probeert tot stand te brengen dat deelnemers aan een socratisch gesprek geconfronteerd worden met hun niet-weten. Dat vereist dat deelnemers bereid zijn om hun eigen opvattingen te betwijfelen. Ook is de elenchus belangrijk voor de confrontatie met opvattingen die gaan wankelen. Elenchus betekent letterlijk weerlegging of beschaming. Je beoefent de elenchus door opvattingen van (mede)deelnemers te expliciteren en eventuele tegenstrijdigheden aan het licht te brengen. In Plato’s Meno (80b) wordt Socrates omschreven als een platte sidderrog uit de zee. De gesprekspartner van Socrates geeft aan “werkelijk verlamd te zijn, zowel geestelijk als lichamelijk”. Hij weet niet meer hoe hij moet antwoorden op Socrates’ moeilijke vragen. Deze toestand van denkverlegenheid wordt aporie genoemd. Socrates krijgt tevens het advies in dezelfde passage om nooit op reis te gaan. “Want als je als vreemdeling in een andere stad zoiets zou doen, zou je al vlug als tovenaar worden ingerekend.”

Tegenstrijdigheden blootleggen in het denken van gespreksgenoten is dus niet voor de poes. Op verschillende plekken in Plato’s dialogen wordt duidelijk dat Socrates de elenchus beschouwt als een noodzakelijk kwaad. De elenchus fungeert als operatie die een zekere loutering tot gevolg heeft.
In de Sofist wordt die loutering beschreven als een toestand waarin ondervraagden zich boos maken “tegen zichzelf, terwijl hun stemming tegenover anderen milder wordt; op die manier worden ze bevrijd van de hoge dunk en de stugge opinie die ze er over zichzelf op na hielden”.

Uit eigen ervaring met filosofisch denken weet ik dat je enigszins verlamd voelen een reflexief moment creëert. Op zo’n moment kun je een aanzet ervaren ‘om er met jezelf uit te komen’. Ik geloof daarom wel dat de ervaring verlamd te zijn door een gemene zeevis een waardevol effect kan zijn van de elenchus.

Maar wil jij door gespreksgenoten ervaren worden als gemene zeevis? Ik niet. Niet zozeer, omdat ik liever heb dat mensen me zien als lieve zeemeermin. Dit is het punt: het proces van inzicht opdoen tijdens een socratisch gesprek kan belemmerd worden. Bijvoorbeeld als je bij een gespreksgenoot het gevoel krijgt aangevallen te worden. Als je door een verontwaardigde en geïrriteerde blik het gevoel krijgt je te moeten verantwoorden voor het feit dat je überhaupt wat vindt. Als elk woord dat je gebruikt minzaam onder de loep wordt genomen en al het speeksel uit je mond onttrekt. Dat je ervaart niet alleen verdoofd te worden, maar ook verslonden.

Hoe word je een constructieve sidderrog? Houd de gelijkwaardigheid voor ogen bij het onderzoeken van opvattingen. Die gelijkwaardigheid komt tot uiting in Plato’s Charmides (166-d-e). Socrates zegt in Charmides tegen zijn gespreksgenoot Critias: “Antwoord op mijn vragen zoals je denkt dat het moet, zonder je erom te bekommeren of Critias of Socrates aan de toets wordt onderworpen. Let enkel en alleen op de stelling en kijk hoe het met de toetsing daarvan afloopt.” Ik voeg hier graag aan toe: wees hard op de inhoud en zacht op de relatie.