Het eeuwige geduld van normatieve vragen

Morele overtuigingen. Zijn dat louter subjectieve opvattingen? Opvattingen die in een morele discussie niet veel zin hebben, omdat er voor persoons- en cultuurgebonden opvattingen geen objectieve criteria bestaan die bepalen of ze gerechtvaardigd zijn? Of is moreel argumenteren geworteld in onze rationaliteit en zijn morele overtuigingen niet reduceerbaar tot persoonlijke of culturele opvattingen? Filosoof Thomas Nagel verdedigt het laatst verwoorde standpunt. Dat doet hij in Het laatste woord. Een kleine filosofie van de rede (2016), vertaald door Jabik Veenbaas. Ik ga zijn redenering volgen aan de hand van een eigen voorbeeld.

Bij moreel denken gaat het om het vormen van morele oordelen en besluiten en het rechtvaardigen daarvan. Neem de kwestie of je voor of tegen een wet bent die ouderen vanaf 75 jaar de mogelijkheid biedt het leven te beëindigen als men dat zelf voltooid acht, zonder dat daar een medische grond voor is. Stel je een Anneke voor die vóór het wetsvoorstel is, omdat mensen zelf moeten kunnen bepalen hoe ze het leven willen leiden. Ze verwijst naar het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens dat het recht op persoonlijke autonomie omvat. En dat kan inhouden dat je iemands beslissing respecteert om het eigen leven te beëindigen.

Stel je ook Rachid voor die tegen de hierboven beschreven wet is. Hij zegt: “Jij, Anneke, bent alleen maar voor zo’n wet, omdat je een westerse achtergrond hebt. Als je was opgegroeid in Marokko, zou je die opvatting niet hebben en de argumenten die je nu aanvoert niet aanvaarden”. Nagel zou nu zeggen dat Rachids uitspraak dat ze tegen de wet zou zijn als ze in Marokko was opgegroeid vermoedelijk waar is. Maar hij bestrijdt de opvatting dat ze “alleen maar” vóór de wet is, omdat ze een westerse achtergrond heeft.
Het argument daarvoor is dat je de herkomst van een opvatting moet onderscheiden van de inhoud ervan. Dat niet doen wordt de genetische drogreden genoemd; ongeacht de herkomst (genese) van een opvatting, blijft een opvatting die waar is waar. Dus ook als je niet bent ‘opgevoed’ met die opvatting.

Nagel benadrukt dat het normatieve karakter van morele vragen niet kan worden verdrongen door het descriptieve. Dat wil niet zeggen dat feiten er bij morele oordeelsvorming niet toe doen. Ze hebben alleen niet het laatste woord, omdat het feit dat Anneke tegen de ‘wet voltooid leven’ zou zijn als ze in Marokko was opgegroeid, nog geen antwoord is op de vraag of het juist (gerechtvaardigd) is om er tegen te zijn. Op het niveau van de inhoud blijft de normatieve vraag geduldig wachten op een antwoord. Als we het oneens zijn over de kwestie ‘voltooid leven’, kunnen we de discussie niet oplossen door te wijzen op de psychologische of culturele verklaring waarom we voor of tegen zijn. Ook als je denkt dat de culturele achtergrond van de zorg voor ouderen relevant is voor je morele overtuiging, kun je dat alleen door moreel redeneren bepalen. Dat houdt in dat je met argumenten komt voor je standpunt.

Het nadenken over morele vragen in normatieve termen wordt niet van zijn betekenis beroofd door descriptieve feiten omtrent sociaal-culturele achtergronden. Het zoeken naar rechtvaardigingen kan alleen met een rechtvaardiging eindigen, aldus Nagel. Maar stel dat je zou onthullen dat een argument tegen de kwestie ‘voltooid leven’ neerkomt op een psychologische rationalisatie; men is bijvoorbeeld bang voor misbruik van de wet? Dan nog betekent dit dat er iets anders kan worden gezegd over de vraag of het moreel (on)juist is om een wet ‘voltooid leven’ in te stellen. Daarom wordt een standpunt voor of tegen de kwestie niet alleen maar bepaald door de feitelijke verklaring waarom je voor of tegen bent.

‘Subjectivisten’ geloven dat onze morele oordelen – hoe je het wendt of keert – niets anders zijn dan uitingen van onze individuele of sociale aard. Maar Nagel betoogt dat je zo’n conclusie niet a priori kunt trekken, want dan moet je aantonen dat alle vermeende rationele oordelen in feite uitdrukking geven aan ongegronde verlangens of neigingen van die oordelende persoon. En dat die verlangens of neigingen zich aan normatieve beoordeling onttrekken. Dat gaat niet lukken, redeneert Nagel, want de vraag of het een goed idee is om op basis van bepaalde feiten te handelen blijft mogelijk. Ook hiermee wordt benadrukt dat hoe iets feitelijk is de vraag of dat zo zou moeten zijn niet kan verdringen.

Een antwoord op een normatieve vraag kan het subjectieve overstijgen als je erkent dat er redenen bestaan die kunnen worden toegepast op alle andere mensen. Een reden is überhaupt iets, volgens Nagel, dat een mens alleen kan hebben als anderen het ook zouden hebben als ze in dezelfde omstandigheden verkeerden. Als je de vraag ‘wat zou ik moeten doen?’ wilt beantwoorden, kun je niet volstaan met je eigen neigingen. Om tot een oordeel te komen over wat goed is, kom je ook op de vraag wat iedereen in deze omstandigheden behoort te doen.

Je zou kunnen stellen dat Nagel wijst op het eeuwige geduld van normatieve vragen. Juist als je ze probeert te verdringen met descriptieve feiten, tonen ze zich in hun ware aard. Ze blijven toch wel wachten op antwoord. Daar is geen ontkomen aan.