Generositeit als terechte zelfwaardering

[O]mdat wijsheid voor een belangrijk deel daarin bestaat dat men weet hoe en waarom men zichzelf moet waarderen dan wel geringschatten, zal ik proberen daarover mijn mening te geven. Er is maar één ding waarvan men met recht kan zeggen dat het een reden is om zichzelf te waarderen, en dat is de manier waarop we gebruik maken van onze keuzevrijheid en zeggenschap uitoefenen over onze wil. Immers, alleen als het om handelingen gaat die op vrijheid van keuze berusten, is er een reden voor lof of blaam. Uit welke eeuw komt dit citaat? A: uit de Griekse oudheid. B: uit de zeventiende eeuw. C: uit de twintigste eeuw. B! De auteur is René Descartes en hij schreef het in De passies van de ziel, vertaald en uitgelegd door Theo Verbeek. Het is Descartes’ laatste werk.

De wijsheid waarover Descartes het hierboven heeft, duidt hij met het begrip generositeit. Het Latijnse generositas betekent ‘goede afkomst’ of ‘voornaamheid’ die je door geboorte en afkomst bezit. Lange tijd, licht Verbeek toe, verwees het naar eigenschappen die aan adellijke en hooggeplaatste personen werden toegeschreven. Maar in het zeventiende-eeuwse Frans verschuift de betekenis van generositeit naar karaktereigenschappen die in principe iedereen kan verwerven. Descartes voegt aan die veranderde betekenis van generositeit nog iets anders toe. Hoe zit dat met deze minder bekende kant van Descartes’ filosofie? Ik onderzoek de vraag met behulp van Verbeeks uitleg.

Descartes definieert generositeit primair als de hoge en terechte waardering van onszelf. Onze vrijheid en het gebruik dat we ervan maken vormen de grond van die zelfwaardering. Mensen zijn van nature vrij en daarmee onderscheiden we ons van dieren. Wie zich bewust is van vrijheid, redeneert Descartes, beseft dat we ten opzichte van de rest van de wereld een uitzonderingspositie innemen. Wie dat beseft, weet dat anderen ook vrij zijn. Daarom zal een genereus persoon niemand minachten. Hij zal eerder geneigd zijn mensen die fouten maken vrij te pleiten. Fouten komen vaak voort uit een gebrek aan kennis en niet uit het ontbreken van een goede wil.
De meest genereuze mensen zijn vaak ook de nederigste, aldus Descartes. Hiermee doelt Descartes op ‘gedurig stil staan bij de zwakte van onze natuur en bij de fouten die we ooit begingen, of waartoe we nog steeds in staat zijn, en die absoluut niet geringer zijn dan die van anderen’.

Jezelf waarderen heeft valkuilen. Onterechte zelfwaardering bestaat ook. Descartes beschouwt dat als het tegendeel van generositeit. Het gaat fout als je iets nastreeft wat niet in je bereik ligt, zoals verstand, schoonheid, rijkdom en eer. Dat zijn schaarse middelen. Als je dat wel nastreeft ben je laakbaar hoogmoedig. Je stelt je op als de concurrent van anderen en daardoor valt je ziel steeds ten prooi aan haat en nijd, afgunst en woede. Daarnaast is er laakbare nederigheid, ofwel slaafse onderdanigheid. Jezelf waarderen kan ook daartoe leiden. Dan ervaar je jezelf als een willoos ding en doe je dingen waarvan je kunt voorspellen dat het je achteraf zal berouwen. Ook denk je dat je aan jezelf niet genoeg hebt en datgene niet kunt missen waarvoor je een beroep doet op anderen. Dat zijn de mensen die zich in het stof werpen voor hen van wie een voordeel wordt verwacht of een kwaad wordt gevreesd. En zich schaamteloos verheffen boven al die anderen van wie ze niets te vrezen of te verwachten hebben. Aldus de oude Descartes.

Omdat iedereen vrij is, volgens Descartes, heeft iedereen het vermogen om genereus te zijn. Een goede opvoeding kan er in belangrijke mate toe bijdragen dat wat men door afkomst tekort komt, gecorrigeerd wordt. Als je je maar vaak genoeg voor ogen houdt wat de vrije wil is en hoe groot de voordelen van het besluit om daarvan een goed gebruik te maken, kun je generositeit als deugd verwerven. Ook moet je daarvoor inzien hoe ijdel en nutteloos de inspanningen van een eerzuchtig mens zijn.

Wat kopen we hiervoor? Waar is generositeit goed voor? Uiteindelijk, schrijft Descartes, ondervindt de genereuze mens een voldoening die hem zo gelukkig kan maken dat ook de heftigste passies niet bij machte zijn de rust van zijn ziel te verstoren. De genereuze is van nature geneigd tot grote dingen, zij het dat hij nooit iets zal ondernemen waartoe hij zichzelf niet in staat acht. Hij is zijn passies volledig meester, vooral begeerte, ijverzucht en afgunst. Dat komt doordat hij meent dat niets van wat slechts met hulp van anderen verworven wordt, het waard is begeerd te worden. Geen haat, aangezien hij iedereen respecteert. Geen angst, aangezien het vertrouwen in eigen deugd hem rust en zekerheid geeft. Geen woede, aangezien hij zo weinig waarde hecht aan alles wat niet van hemzelf alleen afhangt, dat hij het zijn vijanden niet gunt om zich door hen te laten beledigen.

Zoek je nog een mooi opvoedingsideaal? Dan is Descartes misschien iets voor jou. En wie zichzelf waardeert, kan de oude wijsgeer er nog eens op naslaan…