Gemeengoed

In een socratisch gesprek onderzoeken deelnemers wat in hun (professionele) leven van werkelijk belang is. De socratische gespreksmethode kwam voort uit interpretaties over de manier waarop de Oud-Griekse filosoof Socrates in gesprek ging met wie dat maar wilde.
Een benadering van het socratisch gesprek is om opvattingen van deelnemers niet als beweringen te beschouwen die waar of onwaar zijn, maar als perspectieven. Je onderzoekt in die benadering perspectieven op maatschappelijke kwesties die betekenis geven aan feiten, begrippen en ervaringen. Maar hoe onderzoek je perspectieven die persoonsgebonden zijn? Bestaan er algemene regels om te komen tot particuliere opvattingen, zodat je ze aan algemene regels kunt toetsen?

De kwestie in hoeverre er een grond bestaat voor morele stellingnamen wordt in de ethiek ‘het funderingsprobleem’ genoemd. Dit probleem is helder beschreven door Martin van Hees in Over het goede en het juiste in Kernthema’s van de filosofie (2006). Ik beschrijf hier een eigen voorbeeld.
Stel je voor dat iemand het juist vindt dat de Nederlandse overheid de NIPT – Niet-Invasieve Prenatale Test – standaard aanbiedt aan iedere zwangere vrouw. Hiermee kan getest worden of het aanstaande kind downsyndroom en/of andere chromosoomafwijkingen heeft. Onderzoek wijst uit dat deze test betrouwbaarder uitkomsten geeft dan andere prenatale tests.
Deze verhoogde betrouwbaarheid kan het argument zijn voor het standpunt dat het juist is dat de overheid de NIPT nu standaard aanbiedt.

Maar het feit dat de test betrouwbaarder is dan andere, impliceert niet dat we deze test aan elke zwangere vrouw zouden moeten aanbieden. Dit wordt in de filosofie de is-ought-kwestie genoemd; uit het feit dat iets het geval is, volgt niet dat het zo zou moeten zijn. Nu kan er wel een ander argument aan worden toegevoegd. Bijvoorbeeld dat elke vrouw moet kunnen beslissen om de zwangerschap niet uit te dragen als er een aangeboren afwijking is geconstateerd. Maar ook dát argument kan door een tegenstander als onvolledig voor het standpunt worden bevonden. Zo kunnen er verschillende extra normatieve argumenten aan het ‘feitelijke argument’ over de betrouwbaarheid van de test worden toegevoegd, zonder te stuiten op een laatste fundament. We zullen ergens moeten ophouden, aldus Van Hees.

Voor andere waarderende uitspraken, buiten morele stellingnamen, waarin opvattingen worden uitgedrukt – over politiek of esthetiek bijvoorbeeld – gaat het funderingsprobleem ook op. Toch zijn waarderende uitspraken in mijn visie het uitgelezen onderzoeksobject voor een socratisch gesprek.
Er staat een (hoe ironisch) fundamentele vraag centraal die met nadenken wordt onderzocht. En waarbij de eigen ervaring van deelnemers het vertrekpunt is.

Erik Boers is eigenaar van Het Nieuwe Trivium, een bedrijf dat denkgesprekken begeleidt in organisaties. Boers wijst op een uitweg voor het funderingsprobleem, zonder te vervallen in (maximaal) relativisme. Relativisme – in zijn minimale variant – is de opvatting dat waarheid, rationaliteit, moraal et cetera niet absoluut of objectief zijn, maar relatief aan bijvoorbeeld een cultuur of onderzoeksstroming. In de maximale variant is de conclusie dat leden van de ene groepering niet kunnen oordelen over de kennis en moraal van andere groeperingen. Elk oordeel is dan even legitiem.

In Publieke bezinning (2016) schrijft Boers dat we onder ogen dienen te zien dat we in een publieke dialoog niet langer, zoals begin 20e eeuw, op zoek zijn naar de waarheid, maar naar betekenis. Empirische wetenschappen zijn gericht op waarheidsvinding. De geesteswetenschappen – waaronder de filosofie – houden zich bezig met interpretaties van cultuurproducten.
Je onderzoekt in een publieke dialoog wat een bepaalde maatschappelijke kwestie voor ons allen betekent, aldus Boers. Dat onderzoek kan een doorleefde en gedeelde betekenis opleveren dat zicht biedt op de menselijke leefwereld en zinvol handelen daarbinnen. Dit alles in het besef dat maatschappelijke kwesties altijd lokaal en historisch zijn ingebed.

Boers stelt de ‘publieke dialoog’, zoals hij dat noemt, voor als het heen en weer schakelen tussen het algemene en het persoonlijke. Het algemene betreft de casus die wordt onderzocht en ‘het persoonlijke’ betreffen de individuele perspectieven van deelnemers op de casus. Wat ontstaat in dit schakelen zou je, oppert Boers, kunnen omschrijven als common sense.
Het gaat hier niet om ‘boerenverstand’ dat nogal eens wat illusies blijkt op te leveren. Het begrip common sense kent een lange geschiedenis in onze cultuur. Boers sluit aan bij wat verschillende filosofen sensus communis noemen; een zintuig voor het gemeenschappelijke en het vermogen om via het zoeken naar betekenis een gemeenschap te creëren. De publieke dialoog van Boers is gericht op betekenissen die de gemeenschap schept. Publieke bezinning is gericht op het samen duiden van onze complexe leefwereld, gebruik makend van beschikbare feiten. Je achterhaalt gezamenlijk wat verantwoord handelen is op dit moment, in deze specifieke context, voor deze gemeenschap. Aldus Erik Boers.

Hoe onderzoek je in een socratisch gesprek perspectieven die persoonsgebonden zijn? Door een maatschappelijke kwestie te kiezen als gespreksonderwerp. Een kwestie die het moeilijk maakt om louter subjectief te waarderen. Bestaan er algemene regels om te komen tot particuliere oordelen? Nee, niet in de vorm van algemene regels die leiden tot een laatste fundament. Heeft het dan zin om erover uit te wisselen? Ja, omdat alle deelnemers een beroep doen op hun sensus communis. Dat ‘zintuig’ leidt vast niet tot precies dezelfde inzichten. Toch krijgen deelnemers de mogelijkheid om hun sensus communis (kritisch) te toetsen aan die van anderen. Bovendien bestaan er algemene regels om de ‘redeneerkwaliteit’ van beargumenteerde perspectieven te beoordelen. Het heeft ook zin, omdat deelnemers met verschillende achtergronden kennismaken met elkaars denkbeelden. Wie weet helpt dat vervreemding tegengaan. Streven naar gemeengoed dus, met als toetsvraag: ‘herkenbaar voor iedereen?’ in plaats van ‘universeel waar?’.