De relevantie van de puttertjeskwestie

Dat de gemoederen in discussies hoog kunnen oplopen is alom bekend.
Bij meningsverschillen over onderwerpen die mensen aan het hart gaan, kan de vlam in de pan slaan. Wie het vlam vatten van discussies zinloos of te stressvol vindt kan concluderen dat twee mensen die het oneens zijn, beiden gelijk hebben; standpunt A is waar voor de één, standpunt B waar voor de ander. Wie dat een ontkenning vindt van de kwestie waarover verschillend wordt gedacht, kan zoeken naar een constructieve manier om meningsverschillen aan te gaan. Ik beschrijf hieronder één methode. Ik vraag mij daarbij af of die methode relevant is voor verschillende soorten discussie.

Een methode om constructief met meningsverschillen om te gaan is dat twee partijen moeite doen om elkaars posities als relevante alternatieven voor het eigen standpunt te beschouwen. De methode is beschreven door Tim de Mey in het artikel De relevantie van relevantie. Over constructief omgaan met twijfel en meningsverschillen in het magazine Wijsgerig Perspectief (2016). De Mey baseert zich op een essay over kennis van taalfilosoof John Austin.

Stel je voor dat twee mensen een vogeltje in een tuin zien. A zegt, wijzend naar het vogeltje: ‘Kijk daar, een puttertje!’. B: ‘Waarom denk je dat het een puttertje is?’ A: ‘Het heeft een rood kopje.’ B: ‘Ben je wel zeker? Spechten hebben toch ook een rood kopje?’ A: ‘Ja, maar toch weet ik dat het een puttertje is; kijk maar naar de oogtekening!’ Om drie redenen verloopt dit gesprek volgens Austin volkomen correct. 1. A is bereid om een kennisclaim te verantwoorden. A verantwoordt zijn bewering door te wijzen op een relevant kenmerk; puttertjes hebben daadwerkelijk rode kopjes. 2. B – die twijfel uit bij de kennisclaim van A – komt met een relevant alternatief; het zou een specht kunnen zijn, want net als puttertjes hebben spechten rode kopjes. 3. A slaagt erin het relevante alternatief uit te sluiten op basis van een ander relevant kenmerk; de oogtekening van het vogeltje rechtvaardigt de bewering dat het een puttertje is en geen specht.

Stel nu je voor dat het vogeltje een specht is in plaats van een puttertje.
A beweert ook nu dat het vogeltje een puttertje is. Als B dan met de alternatieve hypothese ‘Het kan ook een specht zijn’ komt, kan A zeggen: ‘Oh potverdorie, je hebt gelijk. Het is een specht en geen puttertje; kijk maar naar de oogtekening!’ Ook nu verloopt de discussie correct, aldus Austin; A is tot nieuwe kennis gekomen. In beide voorbeelden is er op kennisgebied iets gebeurd. In het eerste voorbeeld is A’s kennis verdiept door het overwegen van B’s alternatief en het uiteindelijk uitsluiten ervan. In het tweede voorbeeld kwam A tot nieuwe kennis.

Van belang is Austins punt dat om iets te weten je niet alle denkbare alternatieven hoeft uit te (kunnen) sluiten, maar enkel die alternatieven die in de context relevant zijn. Sceptische alternatieven, zoals ‘Het is denkbaar dat je het vogeltje niet echt ziet, maar droomt dat je het ziet’, kunnen niet relevant zijn. Ze zijn zo bedacht dat ze onmogelijk uitgesloten kunnen worden. Daarmee zijn sceptische alternatieven probleemstellend. Relevante alternatieven kunnen daarentegen bijdragen aan het oplossen van een meningsverschil.

Hoe zou deze methode uitpakken in een situatie waarin men het oneens is over een aanbeveling? Neem A die het eens is met de aanbeveling van de Onderzoeksraad voor Veiligheid om vuurwerk te verbieden dat in de praktijk de grootste inbreuk maakt op de veiligheid, doordat het zorgt voor letsel (vuurpijlen) en overlast (knalvuurwerk). B: ‘Waarom vind je (met de Onderzoeksraad) dat vuurpijlen en knalvuurwerk verboden moeten worden?’ A: ‘Omdat onderzoek laat zien dat vuurpijlen uitnodigen tot risicovol en roekeloos gedrag. Vuurpijlen veroorzaken veel letsel. Knalvuurwerk, ook wat nu legaal is, draagt bij aan het ontstaan van gevoelens van onveiligheid bij een deel van de bevolking.’

B komt nu met een alternatief: ‘Mmm, maar wat als zo’n verbod resulteert in meer illegaal vuurwerk? Wat nu legaal is en enigszins reguleerbaar, kan illegaal worden en minder beheersbaar.’ A: ‘Het is niet waarschijnlijk dat grote groepen dat illegale vuurwerk gaan aanschaffen en gebruiken. Daardoor is het aannemelijk dat letsel en overlast zullen verminderen. Bovendien leidt niets veranderen aan het huidige vuurwerkbeleid waarschijnlijk tot nul verandering. Ook laat onderzoek zien dat rondom de jaarwisseling 2015-2016 het aantal mensen met letsel door vuurwerk een daling van 16% inhoudt ten opzichte van het jaar ervoor. Dat is het laagste aantal slachtoffers in de laatste 25 jaar. In 2018 is er een daling van 8% ten opzichte van 2016-2017. Eerder genomen maatregelen om vuurwerkletsel te reduceren lijken dus effect te hebben.’

Tja… Heeft A het alternatief van B voldoende uitgesloten? A komt met een ‘common sense-argument’; niet iedereen zal illegaal vuurwerk afschieten. Daarom valt enige reductie van vuurwerkletsel bij een verbod te verwachten. Daarnaast haalt A een onderzoek aan waarvan het bestaan en de betrouwbaarheid nagetrokken kunnen worden. Als we uitgaan van een redelijke B-figuur, is het (opkomende) meningsverschil snel opgelost. Alternatieven voor het eigen standpunt toestaan is wat de methode dan ook vooral constructief maakt.

Zou de ‘relevantie-methode’ constructiever kunnen worden als een discussie wordt begeleid door een discussieleider? Ik kan me er iets bij voorstellen.
Bij een meningsverschil tussen twee partijen kan een discussieleider andere deelnemers betrekken. Als B het argument van A voor een standpunt niet relevant vindt en A niet overtuigd raakt van B’s twijfel, kan de vraag van de discussieleider zijn: is het argument van A voor zijn standpunt relevant? Waarom wel, waarom niet? Idem voor twijfel bij de relevantie van B’s alternatief en bij de relevantie van A’s ‘uitsluitargumenten’. Zo ontstaat er ook op meta-niveau discussie die de kwestie een stap verder kan brengen. Met meer kritische massa dan een twist tussen twee partijen. Het is het uitproberen waard misschien. Vooral bij kwesties waarbij feitenkennis ontbreekt en de belangen groter zijn dan de kwestie: is dat vogeltje een puttertje? Ja of nee…?